Elvis – NRC

Elvis – NRC
https://images.nrc.nl/Gj1Nof0neN2YxO3ZpzbGacmQm3Q=/1200×627/smart/filters:no_upscale():format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2019/01/roosmalen-marcel-van-online-artikel.png

Op weg naar de kinderopvang passeren we dagelijks het huis van een Elvis-fan. Ik rijd er recht op af. „Bij Elvis rechtsaf”, zeg ik tegen de dochters als ‘The King’ ons vanachter twee slaapkamerramen aanstaart.

Links zien we hem op een grote badhanddoek, die met wasknijpers aan de gordijnrail is bevestigd. Elvis is daarop nog jong en vitaal. Gebogen boven een microfoon met een enorme kuif. Ik denk dat Art Rooijakkers hem zo het liefste ziet.

Tegen het andere raam is een poster geplakt. Een bekende stockfoto uit 1977, een paar maanden voor zijn dood genomen: opgezette kop, openhangend pak met glitters, veel zweet. Op de vensterbank een kaarsje op een schoteltje, soms brandt het.

Ik heb fantasieën over de bewoner van dat hoekhuis met die door onkruid overwoekerde tuin. De gordijnen van de woonkamer zijn altijd gesloten, de ramen zijn gelig, beslagen. Dat waren de ramen van mijn etage in Amsterdam ook, ik was toen nog kettingroker.

Ik denk dat hij of zij na het wakker worden eerst een sigaret en dan een kaarsje aansteekt en daarna met een kop koffie in een stoel naar ‘In the Ghetto’ en de rest gaat luisteren. Een leven dat in een hoofd voorbijglijdt, een steeds vollere asbak, een stinkende kattenbak, het enige bezoek een pizzakoerier.

Dat is dan de romantische versie, want over de levens van verstokte fans maak ik me verder geen illusies. Aan de andere kant kun je natuurlijk ook denken dat je veel liefde kwijt moet als je regelmatig een kaarsje opsteekt voor een zanger uit het verre Amerika.

Als we het huis naderen ga ik langzamer fietsen, zodat we het alle drie goed kunnen zien. Het zit al in ons collectief geheugen.

„Ik wil nu echt een poes”, zei de oudste dochter vanmorgen toen ik met ons over het bruggetje gleed.

„Waarom?”

„Om te aaien.”

Ze zweeg even, daarna wees ze naar het huis.

„Daar!”

Ik: „Bij Elvis rechtsaf.”

„Ja, treurig hoor”, zei de jongste dochter vanuit haar kinderzitje aan het stuur.

Zij is twee en vroegwijs en bezigt regelmatig dit soort wijsheden.

Het kaarsje brandde nog niet.

„Die ligt nog in bed”, constateerde ik.

„Ja, de gordijnen zijn nog dicht”, zei de oudste. „Nou zeg.”

„Ja, gelukkig maar”, hoorde ik mezelf zeggen, want de dag dat de gordijnen open zijn is er iets misgegaan.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

Source link