Op reis naar het graf van Leonardo da Vinci in Amboise

Op reis naar het graf van Leonardo da Vinci in Amboise
https://images.nrc.nl/UvmGsNSaYfp5EqwSX7agBfp9Sbk=/1200×627/smart/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2019/04/data43604416-5e7ca6.jpg

Leonard da Vinci is de beroemdste van alle kunstenaars en geen schilderij is zo beroemd als de Mona Lisa. Begin deze eeuw werd hij door de Da Vinci Code nog veel beroemder.

En hij was al zo bekend. Honderd jaar geleden, in 1911, werd de Mona Lisa door een Italiaanse nationalist uit het Louvre ontvoerd. Bijna een jaar was ze weg en de kranten stonden vol met speculaties waar ze gebleven was en wie het had gedaan. Iedereen had het erover, alles was nieuws, tot en met Mona’s glorieuze terugkeer uit Italië twee jaar later – de dief liep eind 1912 tegen de lamp toen hij haar in Florence probeerde te verkopen aan een antiquair.

Roem hoort bij Leonardo. Toen hij op 67-jarig leeftijd stierf in een paleisje in Amboise, was hij hofkunstenaar en vriend van de koning van Frankrijk. Wie wil weten waar Leonardo was in zijn laatste jaren, moet op reis naar Amboise waar nog behoorlijk wat, ook gereconstrueerde, sporen van hem te vinden zijn. En naar het Louvre, waar nu de drie schilderijen hangen die hij bij zich had in Amboise.

Talent

Leonardo is in 1452 geboren in een dorpje bij het plaatsje Vinci niet ver van Florence. Zijn moeder was Caterina Lippi, een 16-jarige weeskind, zijn vader de jonge notaris Piero da Vinci. Het klasseverschil was te groot voor een huwelijk, maar contact bleef er wel. Als jongetje viel Leonardo op door zijn levendige fantasie en zijn tekentalent. Toen zijn vader hem vroeg het schild van een boer te beschilderen, zo gaat de legende, maakte hij een monster zo levensecht eng, dat iedereen ervan wegschrok. Op zijn veertiende deed zijn vader hem in Florence in de leer bij de schilder en beeldhouwer Andrea del Verrocchio, die na een tijdje stopte met schilderen omdat hij nooit zou kunnen wat dat jongetje met kwast en verf deed.

Leonardo’s vroegste werk maakte hij in Verrocchio’s atelier, waar meester, personeel en leerlingen samenwerkten aan opdrachten. Volgens kenners zijn bijvoorbeeld de schitterende krullen van de linker engel op Doop van Christus van Leonardo. Krullen en alles dat wervelde bleven Leonardo zijn leven lang mateloos intrigeren.

Schetsboeken

Leonardo da Vinci was universeel geïnteresseerd. In wiskunde, meetkunde, architectuur, waterwerken, golfbewegingen, fabels, scheikunde, vliegen, muziek, machines, duiken, filosofie, kanonnen, geologie, spelletjes, bloedsomloop, anatomie en het aankleden van feesten en toneelstukken. We weten dat omdat hij ene na het andere vel en notitieboekje vulde met gedachten en schetsen. Na zijn dood zijn duizenden pagina’s verloren gegaan, maar het ongelooflijke aantal van 7.000 heeft de tijd doorstaan. Bill Gates en het Britse Koninklijk Huis zijn de bekendste bezitters.

Over zijn leven is minder bekend. Gelukkig was hij kort na zijn dood een van kunstenaars in Vasari’s bekende boek De levens van de meest excellente schilders, beeldhouwers en architecten. Vasari sprak mensen die Da Vinci gekend hadden, zelfs de vrouw die model stond voor Mona Lisa: Lisa del Giocondo. Volgens Vasari was Leonardo elegant en geliefd, gespierd, mooi en altijd opvallend gekleed. Hij was bijna openlijk homoseksueel en leefde tot zijn vertrek naar Frankrijk lang samen met zijn schildersgezel Salai.

Koning van Frankrijk

Leonardo da Vinci woonde en werkte in Florence (1464-1482), Milaan (1482-1499), Florence (1500-1506), Milaan (1506-1513) en Rome (1513-1516). In Milaan was hij actief aan het hof van de hertog Ludovico Sforza en toen de Fransen in 1499 het hertogdom Milaan veroverden, viel hij ook bij de nieuwe Franse heersers uitstekend in de smaak. In 1516 trok Leonardo als 64-jarige met een assistent en een bediende, plus drie van zijn lievelingsschilderijen en al zijn notities per muilezel over de Alpen naar Frankrijk, waar hij was benoemd tot ‘Eerste architect, ingenieur en schilder van de Koning’. Die koning, de jonge François I, gaf Leonardo het kleine slot Clos Lucé, een paar honderd meter van het koninklijke Kasteel van Amboise.

Leonardo’s atelier, studieruimte en bibliotheek zijn in Clos Lucé gereconstrueerd. Vorig jaar kwamen daar 400.000 bezoekers kijken. Dit jaar, nu zijn 500ste sterfjaar wordt herdacht, zullen het er nog wel meer worden. Ook omdat op 2 mei de presidenten Macron van Frankrijk en Mattarella van Italië voor de herdenking naar Amboise willen komen.

Genoeg reden om een half millennium na zijn dood af te reizen naar Amboise. Maar op weg daarheen mogen we Parijs niet overslaan, want de drie schilderijen die Leonardo meenam over de Alpen – en bij zich hield tot zijn dood – hangen nu in het Louvre: Johannes de Doper, De Maagd en Kind met St. Anna en natuurlijk de Mona Lisa.

Parijs, Louvre: Mona Lisa

De Mona Lisa in het Louvre in het echt kunnen zien is een illusie. Ze is er wel, je weet dat ze prachtig is, maar haar in de ogen kijken? Vergeet het maar. Dat kan niemand meer, behalve een enkele gelukkige geleerde na openingstijd. Of misschien de president van Frankrijk (Napoleon had haar een paar jaar in zijn slaapkamer).

Je kunt hier in het Louvre vooral vaststellen dat ze er nog is, alleen in zijzaal aan een hoge vrijstaande wand. Op negen meter afstand staat een dranglint. Daarachter vier argwanende suppoosten. Op twee meter een stevige houten balk. Als je die hindernissen weet te passeren – iedereen overweegt het – dan ben je vlakbij: twintig centimeter verderop lacht ze je toe, vanachter pantserglas.

Maar het publiek blijft komen, met miljoenen bezoeken ze het drukste museum ter wereld, al kan niemand haar zien. Dus fotograferen de bezoekers elkaar.

Geleerden zeggen dat het vernis te bruin is. Dat je door wat barstjes in de geschilderde lucht kunt zien dat de kleuren ooit veel feller waren. Dat zou iedereen graag met eigen ogen zien. Net als de wenkbrauwen die ergens in de afgelopen 500 jaar verdwenen zouden zijn. En hoe zit het met haar wimpers? Heeft ze die eigenlijk wel? Maar het is onmogelijk om de Mona Lisa te bestuderen. Wie gezichten wil zien, kan beter de mensen bekijken die hier gekomen zijn om haar te ontmoeten.

Wie hier toch een schilderij van Leonardo da Vinci wil zien, hoeft maar een klein stukje terug te wandelen. Vrijwel ongestoord, zo lang je wilt, kun je daar de twee andere lievelingswerken zien die Leonardo meenam naar Amboise.

Louvre: Johannes & Anna

Iets verderop hangt Leonardo’s kleine schilderij van ‘Johannes de Doper als jonge man’. Johannes, als puur licht verschijnend uit een duistere achtergrond, lacht net zo verwachtingsvol als Mona Lisa. Terwijl niemand weet wat haar zo vrolijk maakt, voel je je bij hem deelgenoot van zijn blije zekerheid. De omhoog wijzende vinger is geniaal: na hem komt Jezus.

De mooiste van de Leonardo’s van het Louvre is ‘Jezus met het lammetje’ (De Maagd en Kind met St. Anna). De achtergrond is een helder blauw berglandschap onder een al even koelblauwe hemel. Vooral de vier gezichten op een diagonale rij maken dit een geniaal schilderij: Anna, haar dochter Maria, háár kind Jezus met in zijn handen de oren van een onwillig lammetje. Je ziet dat het diertje zich wil losrukken, terwijl het kind hem speels in bedwang houdt. Jezus maakt aanstalten om op zijn rug te klimmen, wat Maria wil verhinderen. Het lam kijkt omhoog naar Jezus. Jezus en Maria kijken elkaar aan. En Anna slaat alles gelukzalig gade. Een interpretatie is dat Jezus zich hier aankondigt als offer voor de mensheid.

Louvre: Perfectie

Het blauw van Maria’s omslagdoek mist plooien, het schilderij is nog niet af. Leonardo werkte er nog aan in zijn atelier in Amboise. Dat weten we, omdat uit die tijd een kleurenstudie voor Anna’s mouw bewaard is. De rode jurk van Maria is al wel perfect, vooral de roezeltjes bij haar schouder zijn indrukwekkend.

Als er één ding is waarin Leonardo geen meester was, dan is het zijn werk afmaken. Of misschien is het omgekeerde waar, hij wilde doorgaan tot iets zo perfect was als hij het in gedachten voor zich zag. Dat betekende dat hij soms jarenlang bezig bleef om het te vervolmaken, doof voor vaak wanhopige of boze opdrachtgevers. Met onzichtbaar dunne laagjes over al even onzichtbare laagjes om een ongeëvenaard subtiele kleurovergang te krijgen (‘sfumato’). Zelfs met microscopen zijn de laagjes soms niet te onderscheiden, wat restaureren moeilijk maakt. Ook in zijn atelier in Amboise bleef hij perfectioneren, wat een deel van de reden is dat deze drie meesterwerken hier nu in het Louvre hangen.

Amboise, Clos Lucé: park

In het park van Leonardo’s paleisje Clos Lucé, waar Mona Lisa 500 jaar geleden verbleef, vinden we haar terug. Groot. Heel groot. Haar gezicht is hier een poster op steigerdoek tegen een bijgebouwtje, waar in een laboratorium een klasje schoolkinderen in witte jassen kennismaakt met Leonardo da Vinci de wetenschapper.

Aan de rand van het park worden steeds meer gebouwen veranderd in expositieruimtes voor Da Vinci’s kunst en wetenschap. Er is al een restaurant waar een sterrenkok eten in renaissancestijl serveert. Later dit jaar opent een ruimte waar op ‘immersive’ – onderdompelende – wijze kennisgemaakt kan worden met Leonardo’s kunst en architectuur.

Ook het park zelf plooit zich steeds verder naar de herinnering aan Leonardo. Er staan plantensoorten met een bordje ernaast waarop ze getekend zijn door Leonardo. Er is een bosje bomen geplant, dat lijkt op een beroemde schets van hem. Je kunt kijken naar een levensgroot, werkend baggerapparaat dat hij heeft ontworpen, net als naar zijn tank, zijn parachute en kanonnen. Zijn vliegtuig hangt tussen de bomen en ook zijn tekening van een houten dubbeldeksbrug is hier werkelijkheid geworden.

Clos Lucé: atelier

Clos Lucé is schitterend gerestaureerd, van buiten en van binnen. Het landgoed is al sinds de negentiende eeuw eigendom van de familie Saint Bris, die midden jaren vijftig besloot er een particulier museum en herinneringsplek voor Leonardo van te maken. Er is sinds 1519 verbouwd aan het slot, maar binnen is de indeling nog grotendeels zoals in zijn tijd. Hier is het dus where the magic happened. Sort off, althans.

In een paar kamers zijn Leonardo’s atelier en bibliotheek gereconstrueerd, waar hij verf mengde, schilderde, studeerde, onderzoek deed en schetste. Op de tafels liggen stille getuigen van drukke dagen in Amboise: tekeningen van planten, een zilveren beker met schrijfveren, een liniaal, een kaarshouder, vellen papier. Het lijkt alsof hij hier vanochtend nog werkte, maar niets was natuurlijk ooit echt van hem. Leonardo’s Johannes de Doper en zijn onvoltooide De Maagd en kind met St. Anna staan klaar op ezels, alsof hij er elk moment mee aan de slag kan gaan. Op een tafel ernaast liggen pigmenten, olie, eieren en andere ingrediënten voor verf.

Clos Lucé: bezoek

Leonardo da Vinci bracht veel tijd door op Clos Lucé. Hij tekende, maar nieuwe schilderijen maakte hij niet. Antonio de Beatis, secretaris van kardinaal Luigi d’Aragona, die hem op 10 oktober 1517 bezoekt, schrijft dat Da Vinci’s rechterhand te veel trilde om nog goed te kunnen schilderen. Dat da Vinci links was – daarom schrijft hij zijn notities in spiegelschrift van rechts naar links, en daarom lopen op zijn tekeningen de arceringen meestal naar links – is de secretaris ontgaan, maar dat hij snel ouder werd, is destijds ook door anderen opgemerkt. In een kamertje naast het atelier wordt de ontmoeting Leonardo en de kardinaal door twee Franse acteurs nagespeeld op een hologramfilm. Ze zijn genoeglijk in gesprek over de Mona Lisa en over hoe hij al meer dan dertig lichamen van mannen en vrouwen, jong en oud, ontleed had.

Clos Lucé: tanks & vliegtuigen

Da Vinci hield zich, net als toen hij in dienst was van de hertog van Milaan, bezig met het aankleden van koninklijke feesten. Een party-truc die hij in Frankrijk herhaalde had veel succes: hij liet een robotleeuw een stukje lopen en lelies strooien voor de voeten van François. Een nieuwe exemplaar, gemaakt naar zijn tekeningen, staat in Leonardo’s eetzaal in Clos Lucé, waar de Mona Lisa bijna achteloos tussen twee vensters aan de muur hangt.

Leonardo ontwierp in opdracht van koning François I een nieuwe ideale hoofdstad. Hij tekende kanalen die deze stad, Romorantin, met alle landstreken van Frankrijk zouden verbinden. Het bleef bij tekeningen en ontwerpen. Zoals het meeste wat Leonardo bedacht niet tijdens zijn leven is uitgevoerd. Hier in Clos Lucé is men die uitdaging aangegaan. In de kelder van het slot zijn veel ontwerpen op kleine schaal uitgevoerd en van sommige zijn animaties gemaakt, zoals van zijn tank die je al vurend uit de zes kanonnen in actie ziet. Ook vliegt er iemand met de door spierkracht aangedreven vleugels die Leonardo ontwierp.

Clos Lucé: Hemelbed

Emotioneel hoogtepunt van een bezoek aan Clos Lucé is Leonardo’s slaapkamer. Of hij echt in deze ruimte heeft geslapen, weet niemand zeker. Wat in ieder geval wel klopt is dat je vanuit het raam het kasteel van de koning kunt zien, zoals een van zijn gasten destijds schreef. In dat geval zijn deze vloertegels dezelfde als waarover hij liep, en dat geldt ook voor vijftiende-eeuwse decoratieve muurschilderingen die hij gezien moet hebben.

In de slaapkamer staat een antiek hemelbed met roodfluwelen gordijnen. Ernaast hangt een kopie van een schilderij van Ingres uit 1818 waarop je kunt zien hoe Leonardo da Vinci in dit bed vijfhonderd jaar geleden is gestorven. Die sterfscène staat beschreven in Vasari’s biografie. Zijn vriend koning François – „Leonardo was als een vader voor mij” – ondersteunt met zijn rechterhand het achterhoofd van de kunstenaar, de lange grijze haren verborgen in een zwart mutsje. François’ linkerhand rust op Leonardo’s borst. Liefdevol legt de koning na de laatste adem het hoofd terug op het kussen. De macht bewijst eer aan de kunst.

Clos Lucé: X

Het gebeurde misschien niet in dít bed, of in deze zaal, maar zeker in dit gebouw. Mogelijk zonder dat de koning erbij was, omdat François een dag later al 235 kilometer verderop was in zijn kasteel in Saint-Germain-en-Laye. Wat in 1519 onmogelijk was. We weten dat de koning die dag in Saint-Germain een wet uitvaardigde. Daarom zegt zelfs de gids in Clos Lucé dat hij hier niet was toen Leonardo stierf. Maar de koning ondertekende de wet niet zelf, blijkt uit onderzoek. Zoals wel vaker deed een kanselier dat voor hem. Andere bewijzen voor de persoonlijke aanwezigheid van François die dag in Saint-Germain zijn er niet. Dus mogelijk toch…

Kasteel van Amboise

Op bevel van de koning is Leonardo da Vinci begraven binnen de muren van het Kasteel van Amboise. Zijn graf ligt in de St. Hubertus kapel, een gotisch gebouwtje op het uitgestrekte, hooggelegen slotterrein met prachtige tuinen. Binnen in de kapel ruikt het heerlijk naar lelies, de Franse koninklijke bloem. In het linker transept ligt Leonardo, onder een witte marmeren plaat met zijn naam en een bronzen reliëf van zijn gezicht als oudere man. Fijn dat deze onverwacht bescheiden plek bestaat. Of hij hier echt ligt, is niet belangrijk.

Die kans is vrij klein, want oorspronkelijk is hij honderd meter verderop begraven bij een later gesloopt kerkje op het kasteelterrein. Met de doden is ruw omgesprongen. Toen in de negentiende eeuw alsnog naar Leonardo werd gezocht, vond men een geraamte met een grote schedel, een genie waardig, en dat ligt nu hier onder deze steen. Dat het om zijn „vermeende resten” gaat, staat eerlijk op de muur.

Waar het oorspronkelijke kerkje stond, staat nu in een groen grasveld een wit marmeren borstbeeld. Leonardo da Vinci kijkt uit over het kasteel, de kapel waar hij nu ligt en het weidse Loire-landschap en de rest van de wereld daarachter.

Source link